''Ik weet nog niet hoe ik moet opvoeden''
Martin Šimek vertelt over het vaderschap.
Martin Simeks zoontjes Chacha (5) en Nuru (3) bleven bij hun moeder Iris in Italië toen hun 'Tata' voor een aantal weken naar Amsterdam vertrok. Martin gaf in Nederland vele interviews, trad op in 'De Wereld draait door' en verzorgde een masterclass interviewen voor studenten journalistiek in Groningen. Hij presenteerde zijn eerste boek 'De vuurvliegjes achterna', dat vertelt over zijn vlucht in 1968 uit het door de Sovjet Unie bezette Tjecho-Slowakije naar het vrije Westen. Begin december vloog hij terug naar zijn gezin.
In zijn boek beschrijft de meester-interviewer, tenniscoach, cartoonist en schrijver de liefdevolle opvoeding die zijn ouders hem gaven onder het communistische regime. Vol respect en warmte spreekt hij over zijn vader, die veel van zichzelf in de kleine Martínek herkende. Martin was vastbesloten om zelf nooit vader te worden. Nu hij 61 is, is hij 'Tata' van een jong gezin. Martin Šimek vertelt over zijn eigen vader, zijn uiteindelijke keuze vóór kinderen en over zijn rol als opvoeder.
''Mijn vader was enorm getalenteerd, echt bovengemiddeld. Hij was filosoof en dichter. Er is geen enkel vergelijk tussen mijn talent en het zijne, of tussen het talent van mijn broer, die heel succesvol was als cabaretier, en dat van mijn vader. Toen hij de communistische putsch zag aankomen, raadde mijn vader zijn beste vrienden aan om te emigreren. Zelf vond hij het risico te groot om te vluchten, want mijn moeder was zwanger. Dat was ik, die in haar buik zat. Ik ben er de oorzaak van dat mijn ouders zijn gebleven. Mijn vader, doctor Šimek, werd gedwongen zwaar werk te verrichten in de cementfabriek buiten Praag..
Mijn vader bouwde met mij in de loop der jaren een heel bijzondere band op. Ik stond 's morgens om vier uur met hem op. Dat deed ik deels om 's middags meteen na school naar de tennisbaan te kunnen gaan. Maar ook uit mededogen met mijn vader, die op dit vroege tijdstip naar zijn werk moest. Door hem iedere dag te zien dacht ik hem een beetje te helpen. Ik merk nu, met mijn kinderen, dat zoiets heel fijn is. Als ik voor een optreden 's avonds naar huis bel en met één van die jongetjes aan de telefoon praat, dan ben ik daarna zo ontspannen dat ik het toneel glimlachend opga. Ik doe het er niet om, maar als het gebeurt dan is de uitwerking altijd positief. Mijn vader had hetzelfde met mij.
Toen ik een jaar of twaalf was, had mijn vader enorm respect voor mij. Ik had op die leeftijd al goed getennist. Op de tennisbaan was ik totaal volwassen. Ik was daar geen kind meer. Mijn vader nam van mij heel veel dingen aan. Hij herkende veel van zichzelf in mij. Ik was wilskrachtig en vrolijk. Ik was in die tijd op mijn best, zowel wat discipline, spontaniteit, als geluk betreft. Dat niveau heb ik later in mijn leven nooit meer gehaald. Ik ben altijd redelijk gelukkig, maar dit waren mijn gelukkigste jaren. Ik dacht dat ik alles wat ik zou willen, zou bereiken. Dat ik in alles de beste zou zijn. Als ik het communisme omver wilde werpen, dan zou ik dat in mijn eentje doen. Er zou een moment komen dat ik dat allemaal regelde, voor mijn ouders, voor Tjecho-Slowakije. Ik had een soort supermangevoel, zonder me als superman te gedragen. Ik was heel kinderlijk, heel speels, maar ook heel overtuigd van mezelf.
Mijn ouders hadden een soort ideaal huwelijk. Mijn vader was heel erg verliefd op mijn moeder en mijn moeder op mijn vader. Na mijn geboorte kreeg mijn moeder kanker en werd haar borst weggenomen. Het zag er heel lelijk uit. In die tijd konden ze dat nog niet zo goed. Bovendien was de ziekte in een vergevorderd stadium. Het is absoluut mijn interpretatie, maar ik denk dat zij sindsdien nog nauwelijks met elkaar gevreeën hebben, terwijl zij nog redelijk jong waren. Als kind voelde ik een spanning tussen hen, die niets te maken had met onenigheid over wat dan ook, want die was er niet. Ik was de enige die kritisch tegen mijn vader durfde te zijn. We zaten een keer aan tafel en ik voelde die spanning. Mijn vader zei dat de soep te koud was, mijn moeder verontschuldigde zich. Ik at die soep ook, die was niet koud. Ik wist dat het allemaal onzin was. Ik heb niets gezegd. We zijn doorgegaan met eten, we hebben gepraat, alles was normaal. Toen we klaar waren ben ik mijn vader achterna gegaan naar zijn werkkamer. Ik heb aangeklopt, ging naar binnen en heb hem gezegd: ''Als je dat nog één keer doet tegen moeder, dan sta ik op en ga ik weg''. Ik zag mijn vader kijken. Hij zag dat het geen zin had om te vragen: 'Waar heb je het over?'. Toen heeft hij zich verontschuldigd. Hij vond het fantastisch, wat ik deed, dat wist ik. Mijn vader respecteerde mij. Hij hield veel van me en had enorm veel vertrouwen in me.
Toen ik in 1968 in Nederland kwam, kreeg ik alle mogelijkheden. Ik kon studeren. Ik was gewoon vrij. Ik had alle kansen die mijn vader en broers niet hadden gehad. Ik voelde me verplicht om er iets van te maken, uit naam van mijn vader, wiens enorme talent verloren was gegaan. Ik dacht: 'Als ik niet trouw en geen kinderen krijg, ben ik niet chantabel en kan niemand en niets mij dwingen om iets te doen waar ik niet honderd procent achter sta. Dan kan niemand mij pijn doen. Dan pas kan ik echt helemaal vrij zijn'.
Lang na de val van de muur, het zal 2002 geweest zijn, was ik met Iris in Praag. Wij waren aan het vrijen. Het was zo mooi, het ging niet over seks en lust, maar uitsluitend over liefde. We kenden elkaar toen al tien jaar. Iris waarschuwde mij: 'We moeten voorzichtig zijn'. Ik antwoordde: ''Laten wij het lot aanvaarden. Het wordt vast een heel leuk kind als dat geboren wordt uit zo'n vrijage''. Iris glimlachte en later bleek ze zwanger te zijn. Ik was heel blij, dat vond ik heel opmerkelijk. Iris was ook enorm verbaasd dat ik er zo gelukkig mee was. Dit kindje hebben we verloren. Iris ging ervan uit, dat wij het nu opnieuw zouden proberen een kindje te krijgen, maar ik niet. Op een gegeven moment, toen we samen ergens zaten, fluisterde ze: ''Als wij een kindje willen is het vandaag een goed moment''. Kennelijk was er, doordat zij in verwachting was geweest, een gevoel ontstaan dat zij niet kende. Ik antwoordde: ''Hoe bedoel je?'' Ze vroeg: ''Maar jij vond het toch ook leuk?'' Toen ik zei: ''Ja maar dat was ons lot. Nu hebben wij het weer in eigen hand'', was zij zo teleurgesteld. Ze zei niets, ze was heel triest. Dat zag ik in één oogopslag, in één seconde. Daarom zei ik: ''Goed, eerst moet je lichaam aansterken. Dan gaan we een kindje hebben''. Ik heb dat voor haar gedaan. Want ik wist: Als ik hier geen gehoor aan geef, dan beschadig ik haar. Dat kan ik niet maken. Tenslotte was ik degene die dit verlangen veroorzaakt had. Zij had me gewaarschuwd,daar in Praag.
Als je één kind hebt, dan moet je ook een tweede willen, vind ik. Want een kind wil toch ook een broertje of een zusje hebben, wil weten wat dat is. We hadden geluk en kregen gemakkelijk de volgende. Dat is eigenlijk heel opmerkelijk, want we hebben nooit anticonceptie gebruikt, we hebben alleen opgelet. Met de vrouwen waar ik van hield, met wie ik een relatie had, heb ik nooit iets aan anticonceptie gedaan. Eigenlijk is het een wonder dat er nooit iets gebeurd is. Ik dacht dat het heel lang zou duren voor Iris en ik een kind zouden hebben, maar het lukte meteen.
De bevalling kan ik me goed herinneren, die was echt verschrikkelijk. Ik was zo machteloos. Ik zag alles misgaan, maar ik kon dat niet zeggen. Het was traumatisch, ook voor het kindje. Iris wilde graag thuis bevallen. We hadden een heel gerenommeerde vroedvrouw. Alles ging goed, tot op een gegeven moment Iris met een soort natuurkracht zat te persen en te persen. Het wilde maar niet lukken. Ik zag al een uur dat het niet in orde was. Op een gegeven moment zei de vroedvrouw: ''Nou nog even proberen , dan gaan we naar het ziekenhuis''. Daar aangekomen bleek dat het kindje niet goed gedraaid was. Hij lag met zijn gezichtje naar boven. Dat arme kind werd zowat verkracht door zijn moeder, die er alles aan deed om hem eruit te persen. Soms denk ik dat ik dat nog aan die jongen merk. Ik praat daar nauwelijks over, omdat dat geen zin heeft, omdat het gebeurd is. Het was een enorm moeilijke bevalling, ook voor Iris. Maar gelukkig is het goed afgelopen.
Toen wij thuis kwamen met Chacha, lag ik 's nachts wakker, Iris was eindelijk in slaap gevallen. Ik dacht dat ik een hartaanval had, en niet zo'n kleine ook. Het ging helemaal niet goed met me. Ik probeerde één of andere 121 te bellen, maar ik ben slordig, ik weet zulke nummers niet uit mijn hoofd. Gelukkig wist ik het nummer van de vroedvrouw nog, dus belde ik die. Ze zei: ''Oh, dat is niks, dat hebben heel veel vaders na de bevalling''. 's Morgens kroop ik naar de orthomanueel therapeut, bij wie ik de week daarvoor nog was geweest. Toen was ik helemaal in orde geweest. Hij vroeg: ''Ben je onder en vrachtwagen gekomen, of zo?'' Ik had twaalf wervels verschoven, gewoon van het toekijken en niks kunnen doen. De volgende geboorte was schitterend, heel gemakkelijk. Het tweede kind kwam naar buiten alsof het niks was. Het gekke is: Iris heeft het gevoel dat deze bevalling veel zwaarder was. Bij de eerste trad ze zo buiten zichzelf dat ze totaal niet heeft meegemaakt wat ik heb beleefd.
Toen ik zelf een jongetje van een jaar of drie was, vertelde ik, aangemoedigd door mijn vader, graag verhalen tijdens het eten. Dat vond ik gezellig. Mijn broers waren een stuk ouder dan ik, die hadden niet zoveel zin om daarnaar te luisteren. Die verhalen van mij over lieveheersbeestjes en kevertjes, daar hadden ze geen boodschap aan. Mijn vader zorgde er met zijn autoriteit altijd voor dat ik meetelde aan tafel. Vandaag merk ik dat ik een hekel kan hebben aan mensen die met kleine kinderen in een restaurant komen en dan die kinderen laten kleuren of met elektronische spelletjes laten spelen. Dat vind ik vreselijk egoïstisch. Je stopt een kind in een isolement. Ik kan me voorstellen dat als ze hem later thuis wel willen spreken, hij in dat isolement blijft. Mijn vader heeft dat nooit gedaan. Voor hem en voor mijn moeder waren wij absoluut de belangrijksten. Ik heb dat overgenomen. Als ik met mijn kinderen ben, staan zij centraal. Dat is niet zo moeilijk, omdat ze heel boeiend zijn. Niet alleen mijn kinderen, alle kinderen. Ieder kind dat ik zie in de tram of de trein, hier in Amsterdam, vind ik ongelooflijk leuk. Dan denk ik: 'Wat een verschil met die ouders, wat een verbetering!' Die kinderen zullen op den duur ook de wedstrijd met de ouders, de onderwijzers en de maatschappij verliezen. Maar ze zijn nu nog zo oorspronkelijk en vrolijk en speels. Ik ben een enorme fan van ze, vooral op het moment dat ze wat zitten uit te halen, tot ergernis van iedereen. Van die kleine rebelse handelingen.
Als ik de opvoeding van mijn zoontjes vergelijk met de opvoeding die mijn ouders mij gaven, dan zie ik wel een verschil. Er was tussen mijn vader en moeder een beter samenspel dan tussen mij en mijn vrouw. Mijn moeder maakte gebruik van de autoriteit van mijn vader. Mijn moeder zei vaak: 'Dat zal ik aan vader moeten vertellen'. Dat was genoeg, omdat ik niet wilde dat hij problemen met mij had. Hij luisterde altijd heel goed naar wat mijn moeder zei, daarna ging hij mij vragen stellen. Hij had direct door of ik zat te liegen of niet. Mijn vader had in wezen altijd gelijk. Hij strafte mij door mij bijvoorbeeld te verbieden naar tennis te gaan. Hij had één straf, dat was waanzinnig. Ik moest dan in de tuin de paadjes helemaal schoonmaken. Het kon mijn vader niets schelen of daar gras tussen de steentjes groeide, want de tuin was absoluut geen siertuin meer. Daar waren kippen en konijnen, die hadden we nodig. Maar als ik dingen deed die ik niet moest doen, dan werden die paadjes zo schoon, dat er geen grasje meer stond. Ik kan me niet herinneren dat mijn vader me ooit op en andere manier strafte.
Ik vind het moeilijk om mijn kinderen te straffen. Opvoeden, het is net als tennisles. Ik weet dat ik het fantastisch zou leren als ik tien kinderen had. Je kunt het met de eerste twee niet anders dan fout doen. Ik doe dus alles fout, Het moet allemaal anders, ik weet alleen nog niet hoe. Iris weet natuurlijk ook niet hoe het moet. Wij praten daar vaak over. In wezen voeden wij allebei een beetje op onze eigen manier op. Dat maakt het wel ingewikkeld. Als wij beiden aanwezig zijn spelen de kinderen ons ongelooflijk tegen elkaar uit. Als ik alleen met hen ben, heb ik geen enkel probleem. En Iris heeft het ook gemakkelijker als ik er niet bij ben. Wanneer wij met z'n allen zijn, wat eigenlijk het leukste zou moeten zijn, dan zetten ze ons helemaal voor gek. Ergens geniet ik daar ook van, het is heel komisch. Ik vroeg eens aan Chacha: ''Waarom doe je dat?'' Hij zei: ''Omdat jij dan ruzie met mamma krijgt''.
In Chacha zie ik heel veel van Iris. Ik vind dat ontzettend leuk, omdat ik heel veel van haar houd. Zij hebben samen de grootste strijd, want Iris verwijt hem alles wat ze zelf is. Zij en Chacha zijn heel koppig. Het is fantastisch om ze te zien ruziemaken. Allebei willen ze gelijk hebben. Het gaat erom dat ze willen dat de ander volgt. Nuru is precies zoals mijn broer. Het is alsof mijn broer is herboren. Ik heb daarom het gevoel dat ik hem helemaal ken. Hij is extreem intelligent en een enorme boef. Als ik tegen hem zeg: ''Wat gaan we doen?'', dan legt hij zijn vinger op de mond. Dat betekent : ''We gaan iets doen wat wij aan niemand gaan vertellen, en zeker niet aan mamma''. Dan gaan we bijvoorbeeld iets lekkers nemen, wat normaal niet mag. Hij mag helaas geen melk. Af en toe mag ik hem iets geven, zoals een stukje chocola. Hij is dan ontzettend gelukkig. Als hij dan met mamma boven is, als zij hem naar bed brengt, vertelt hij wat we gedaan hebben. Dan moet zij boos worden. Als zij dan zegt: ''Maar Nuru , dat mag toch niet'', dan moet hij lachen en zegt hij: 'Maar wij hebben dat toch wèl gedaan''.
Wat ik aan mijn kinderen wil doorgeven is dat je altijd moet durven zeggen wat je voelt. Chacha had pas zand naar de buurman gegooid, die op een bankje zat,. Dat kan natuurlijk niet, die man is 80. Ik was met Iris aan de telefoon en hoorde dat Chacha ontzettend zat te krijsen op zijn kamer: ''Nee, nee, nee''. Ik wilde dat ze hem aan de lijn gaf. Iris wilde dat eerst niet, want ze vond dat ze gelijk had om hem naar zijn kamer te sturen. Ik heb gezegd: 'Ongetwijfeld heb je gelijk, maar er is iets gebeurd tussen Chacha en die buurman, wat hij wil vertellen, daar moet je naar luisteren. Je kunt niet met mij zitten te bellen, terwijl hij daar vol van is. Dus ging ze naar boven en zei: ''Hier is Tata, die wil weten hoe het was''. Ik zei tegen Chacha: ''Het spijt me dat je zo moet huilen. Wat is er precies gebeurd?'' Het duurde even voor hij bedaarde. Dan vertelde hij dat de buurman hem vanaf het bankje had zitten plagen, dat hij daarom met zand had gegooid. Ik heb hem gevraagd: ''Heb je de buurman verteld dat je dat heel vervelend vond, wat hij deed?'' Chacha antwoordde: ''Nee, ik heb gewoon zand naar hem gegooid. En als hij straks langskomt, gooi ik hem een auto op zijn kop. Van het balkon''. ''Chacha, dat is nou precies wat je niet moet doen'', antwoordde ik. ''Je weet, ik ben nu al heel lang weg. Als buurman Severio iets overkomt, moet ik altijd hier in Amsterdam blijven. Ik moet dan heel veel geld verdienen om zijn familie te betalen''. Dat wilde Chacha niet. ''Dan gooi ik die auto wel nààst hem'', zei hij. Ik heb hem uitgelegd dat hij zijn gevoel niet moet 'opeten'. Want later komt dat allemaal naar buiten , dan ben je boos en doe je dingen die je beter niet kunt doen. Ik vertelde hem: ''Een volgende keer moet je meteen zeggen: ''Severio, waarom doe je dat? Ik vind het heel vervelend dat je me plaagt. Als je daar mee doorgaat, wil ik niet meer bij jou spelen, dan wil ik jou niet meer groeten, dan wil ik niets meer met jou te maken hebben''. Je mag alles zeggen wat je vindt, maar je mag niet met zand gooien en al helemaal niet op zijn ogen. Dan stuurt mamma je terecht naar je kamer en krijg je de schuld. Want dan heb je iets gedaan dat erger is dan wat die man heeft gedaan''.
Ik ben niet voor formele regels. Als Chacha iemand niet groet, dan zeg ik: ''Je hebt vanmiddag niemand gegroet. Was dat omdat je ze niet zag, of omdat je het niet wilde?''. Ik ben eerder in zijn wereld geïnteresseerd, dan dat ik hem de mijne wil opdringen. Ik zeg hem niet zo gauw dat hij iets moet. Of ik daar goed aan doe, weet ik natuurlijk niet.
Ik gedraag me met mijn kinderen nog intuïtiever dan ik sowieso al doe. Ik vertrouw heel erg op hun motoriek. Als ik met één van hen ben, laat ik ze heel gevaarlijke dingen uithalen. Omdat ik weet dat zij dat anders toch wel doen. Klimmen bijvoorbeeld, over de rotsen of heel hoog in een boom. Ik zeg dan: ''Probeer het maar, zie maar hoe ver je kunt komen. Kijk eerst waar je naar toe wil. Verplaats dan pas je gewicht. Je moet je tenminste met één hand vasthouden''. Daarna vertel ik ze dat het heel erg goed was en laat ik ze beloven dat ze het een volgende keer alleen doen als ik erbij ben. Iris zou dat niet willen. Ze zou zeggen: ''Je moet naar beneden komen, je mag dat niet doen''. Ze is een beetje bang, maar de jongens zijn fysiek heel goed. Ze moeten nog wel leren dat een olijfboom heel gemakkelijk breekt. Niet elke boom is hetzelfde. Ze moeten het verschil zien tussen een dode en een levende, sterke tak. Ze hebben gaten in hun kennis en dat kan heel gevaarlijk zijn. Als ze heel hoog zijn en er komt een vlinder langs, dan vergeten ze alles. Ik laat ze helemaal los, maar ben wel achter ze om ze op te vangen. Ik wil ze voor het ergste behoeden.
Er is één ding waar ik echt op hamer: 'Doe altijd maar één ding tegelijk'. Dat weten ze precies. Dat had een komisch resultaat: Er is een arts in ons dorp, die ons al een paar keer heeft geholpen, toen de jongens een wond op hun hoofd hadden die gehecht moest worden. Want allebei vallen zij toch, zo nu en dan. Dat kun je niet tegenhouden. Plotseling wilde die dokter burgemeester worden. Hij ging campagne voeren voor de verkiezingen en kwam bij ons in de straat om een toespraak te houden. Chacha zei tegen hem: ''Maar waarom doet u dat. U bent toch dokter? Je kunt toch niet twee dingen tegelijk doen?'' De dokter verloor de verkiezingen en ik zei; ''Zie je Chacha, je had het goed. Hij wilde twee dingen tegelijk doen en daarom is dat ook niet gelukt'. Nu is Chacha ervan overtuigd dat Tata soms wel gelijk heeft''.