Niet trots, wel blij
Paardenman Jan Robaard gedecoreerd door KNHS.
Meppel- Zaterdag werd Jan Robaard (1932) tijdens het Concours Hippique Meppel onderscheiden met de zilveren erepenning van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie. Robaard is al 65 jaar lid van de vereniging en heeft 60 jaar alle takken van paardensport gejureerd. De laatste concoursdag loopt hij over het concoursterrein. De penning heeft hij niet opgespeld. ‘Daar moet je een colbertjasje voor dragen’, zegt hij. En: ‘Ik ga er niet alle dagen mee rondlopen, hoor’. Robaard is bescheiden: ‘Er zijn er veel die een keer zo’n speldje krijgen’. Of hij trots is? ‘Och, wat is trots. Het is leuk om zo’n erkenning te krijgen. Ik heb de onderscheiding niet alleen aan mezelf te danken, maar ook aan alle mensen waar ik door de jaren heen in allerlei functies mee te maken gehad heb. Mensen van de rijvereniging, van het indoor concours. We hebben samen wat bereikt, niet ik alleen’.
Met rustige stem vertelt Robaard dat hij als tienjarig jochie al op een paard langs de weg reed. ‘Ik had het geluk dat mijn ouders en grootouders paardenliefhebbers waren’. Zijn vader reed er op de fiets naast. ‘Auto’s waren er toen haast nog niet’. In juni 1945 werd de landelijke rijvereniging Meppel heropgericht . Jan Robaard was met zijn dertien jaar het jongste lid. Op 29 september 1945 reed hij zijn eerste wedstrijd in Steenwijk. ‘Dat concours was één van de eerste gebeurtenissen, na de oorlog’. Robaard vertelt dat hij een vierde prijs in ontvangst mocht nemen. Waren zijn ouders trots? ‘Ik denk het wel, maar dat lieten ze niet zo blijken’.
Robaard heeft geen voorkeur voor een bepaalde tak van paardensport. ‘Wanneer paarden passen in de tak van sport waarin ze meelopen, dan vind ik dat interessant’. Zelf reed hij op Z-niveau in zowel de dressuur als het springen en ook in de mensport was hij succesvol.
Een paard is volgens Robaard een goed paard als hij aanleg heeft en goed geschoold wordt. ‘De scholing begint net als met kinderen bij de kleuterschool en dan volgt de lagere school’. Volgens Robaard wordt dat nog wel eens vergeten. ‘Dan moeten de paarden van de kleuterschool door naar het middelbaar onderwijs. Dat is in de meeste gevallen niet zo verstandig’. Commercie speelt hier volgens Robaard een grote rol. ‘Een paard moet vrij snel al op hoog niveau presteren waardoor ze meer kans maken bij de verkoop. Mensen die voor zichzelf een paard hebben om leuk te rijden en die de juiste begeleiding hebben, doen het wat rustiger aan’. In de beginnende klassen ziet Robaard nogal eens dat ruiters te snel een parcours willen springen, nog voordat de dressuurbasis voldoende bevestigd is. ‘Je moet er wel klaar voor zijn’, is zijn mening.
Robaard denkt dat de Nederlandse fokkerij één van de besten in de wereld is. ‘We staan met de dressuur internationaal aan de top. Met springen is een wisselende groep ruiters heel succesvol’.
Op dit moment treedt Robaard nog op als jurylid bij het springen. ‘Ik jureer niet zoveel meer, je moet een keer een beetje op de rem gaan staan’. Zijn dochters Hedy en Anita zijn in hun vaders voetsporen getreden. Beiden hebben nationaal en internationaal gepresteerd . Vandaag heeft Hedy met een jong paard in de B gereden. ‘Het was de eerste keer dat hij tussen andere paarden op een wedstrijdje kwam. Het was een oefenrondje. Met andere paarden heeft ze al wel het zware werk gedaan’. Robaard is er heel blij mee dat zijn dochters goed rijden. Maar trots? ‘Waarom moet je trots wezen . Het moet allemaal meezitten. Trots is een woord dat amper aan gebruikt moet worden’.